coronavakantie

Hallo, je bent hier gekomen op zoek naar de betekenis van het woord coronavakantie. In DICTIOUS vind je niet alleen alle woordenboekbetekenissen van het woord coronavakantie, maar kom je ook meer te weten over de etymologie, de kenmerken en hoe je coronavakantie in enkelvoud en meervoud uitspreekt. Alles wat je moet weten over het woord coronavakantie is hier. De definitie van het woord coronavakantie zal u helpen preciezer en correcter te zijn bij het spreken of schrijven van uw teksten. Kennis van de definitie vancoronavakantie, maar ook van die van andere woorden, verrijkt uw woordenschat en verschaft u meer en betere taalkundige bronnen.


  • co·ro·na·va·kan·tie
enkelvoud meervoud
naamwoord coronavakantie coronavakanties
verkleinwoord coronavakantietje coronavakantietjes

de coronavakantiev

  1. (medisch) (onderwijs) periode dat de scholen gesloten waren tijdens de coronapandemie
     'We zijn zo toch ook al een soort gezin, vind je niet? Jij, papa, Jochie en ik.' 'Dat is niet echt. Dat is alleen de coronavakantie. Ik wou dat het altijd corona was!' Franzi stampvoet.[1]
     Opa Kees en oma Grietje hebben wel gewoon fysiek contact met hun kleinkinderen Maud en Amber. Gewoon een dagje. Huiswerk maken, wat lekkers tussendoor, even buiten spelen op de skeelers, dan een spelletje op de tablet en lunchen. Tot slot een gezelschapspel. „Gezellig, zo’n coronavakantie”, zeggen de kleinkinderen.[2]
  1. “Onder buren” (2021), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026356186
  2. Bronlink geraadpleegd op 17 september 2024 Weblink bron
    Raymond Korse
    “Zo gaan Twentenaren om met corona: ‘Ik zing voor mezelf’” (19-03-2020), Tubantia